Smetvrees is een veel voorkomende vrees. Kenmerk is de gedachte dat elke vorm van smet desastreuze gevolgen heeft. Het verdunnen van de smetveroorzakers door wassen, helpt maar voor een deel. In gedachten blijft elke verdunning nog gevaar opleveren.
Veel lijders aan smetvrees ervaren smet als iets dat overdraagbaar is. Het lijkt op bacteriële groeiprocessen waarin de smet zich razendsnel over het lichaam of een voorwerp in een ruimte kan uitbreiden. Soms zelfs wordt het tempo van het proces zo snel ingeschat, dat als iemand zich gedoucht heeft, al tijdens het afdrogen de smet weer over het lichaam verspreid is. Dan blijft voor die persoon niets anders over dan zich opnieuw te douchen.
Soms beperkt smetvrees zich alleen tot het idee ‘vies’ en is er geen angst voor besmettingsgevaar. Maar voor de viezigheid geldt dan hetzelfde verspreidingsproces. Smet is in veel gevallen een daadwerkelijke beleving. De persoon kan het aan haar lichaam ervaren, zoals anderen vieze modderhanden of olie aan de handen als lastig ervaren.
Het idee aan smet roept spanningen op die zo heftig kunnen zijn dat de reactie omgezet wordt in heftige paniekaanvallen.
Smetvrees gaat verder dan zich alleen overmatig wassen of het huis schoonhouden. Het kan ook tot in details gaan zoals het dopje van de tube tandpasta schoonborstelen, of de veters uit de schoenen wassen.
Een veel voorkomende vorm van smetvrees is ook de angst om vuil van buiten in huis te krijgen. Schoenen moeten worden uitgetrokken, soms ook kleren die dan direct in de was moeten. Er kunnen geen bezoekers worden toegelaten en een bezoek van een servicemonteur kan tot ernstige paniek leiden en enkele heel moeilijke maatregelen vereisen. Denk maar aan zijn schoenen, kleding, zijn handen die alles aanraken en zijn gereedschapskoffer en gereedschap die overal zomaar worden neergezet.
Smetvrees is voor de omgeving van iemand die daaraan lijdt vaak heel moeilijk te begrijpen. Het is een gevoel dat in de verbeelding van de persoon zit en niets met de werkelijkheid van alledag te maken heeft. De realiteit is dat alles wat niet steriel gehouden wordt, enige vormen van bacteriële besmetting heeft. Maar het overgrote deel van deze bacteriën zijn in hun dosis absoluut onschadelijk. We zijn daarvoor door het dagelijkse contact ermee immuun geworden. Voor lijders aan smetvrees geldt die immuniteit in hun beleving niet. Verstandelijk weten ze dat het niet echt gevaarlijk is, maar zij voelen en beleven iets dat niet verklaarbaar is maar heel bedreigend. Ze beleven heel sterk een andere werkelijkheid aan smet dan de omgeving.
De lichte vrees heeft zich in de loop van de tijd uitgebreid tot een voelbare angst en vanuit die angst ontstond een obsessie om zich daartegen te beschermen. Waar de vrees vandaan kwam blijkt per persoon heel verschillend te zijn. Twee elementen komen in de behandelingen bij IMET steeds weer sterk naar voren: de persoon heeft geen vertrouwen in de eigen waarneming en in de beleving van veiligheid en de persoon heeft elke bodem onder zich verloren. De oorzaak daarvan ligt meestal heel ver terug in het verleden.
Ieder mens krijgt bij zijn of haar geboorte kwaliteiten mee. Een aantal daarvan zijn herkenbaar als familietrekken en een aantal lijken door het kind zelf meegebracht te zijn. Het totaal aan kwaliteiten past meestal redelijk in de omgeving van de persoon. Op die manier groeit het kind op in normen en waarden, met ideeën en belevingen, en met mogelijkheden en beperkingen waar het goed mee kan leven.
Soms worden ook kinderen geboren die naast de familiekenmerken een aantal krachtige eigen kwaliteiten meebrengen. Zolang deze kwaliteiten door de omgeving gestimuleerd worden om tot ontwikkeling te komen, zal het kind er vooral voordeel aan hebben.
Als deze eigen kwaliteiten echter een niveau en een diversiteit krijgen die door de omgeving (samenleving) niet opgemerkt worden of niet tot ontwikkeling gebracht worden, ervaart het - meestal nog erg jonge en rijk begaafde - kind dit als een ontkenning van de eigenheid; een ontkenning van zijn of haar complete identiteit. Dit proces vindt vooral plaats op onbewust- en op overtuigingsniveau.
Mensen hebben een drang in zich die ervoor zorgt dat de aangeboren vermogens in meer of mindere mate tot ontwikkeling kunnen komen. Bij sommige mensen is deze drang erg sterk aanwezig, bij anderen minder sterk.
Als zo’n kind, voorzien van een sterke drang om haar vermogens te ontwikkelen, opgroeit in een samenleving die al die extra's van dat kind niet waarneemt, zal dat kind de bevestigingen ontberen die zij nodig heeft. Haar ontwikkelingsdrang zal dan naar wegen zoeken om die aangeboren vermogens toch te kunnen ontwikkelen.
Aangezien er in die situatie voor passende oorspronkelijke ontwikkelingen geen ruimte is, ontwikkelt het kind compensatiegedrag. Meestal gebeurt dat voor een aantal van de aangeboren vermogens, soms ook voor álle talenten. Het jonge kind - meestal in de leeftijd van de beginnende basisscholier - ontwikkelt geheime rituelen, ideeën en belevenissen die de kwaliteiten moeten gaan invullen die zich niet op een natuurlijke manier kunnen ontwikkelen. Zo kunnen obsessieve gedachten en gedragingen ontstaan, die weer door andere interne regelsystemen worden vastgezet tot onbeheersbare en vergroeide overtuigingen.
Dit 'kwaliteit ontwikkelende systeem' kan voor buitenstaanders onnavolgbare routes volgen. Deze routes kunnen op veel terreinen zulke afwijkende vormen in gedrag veroorzaken dat zij ongewild reacties uit de omgeving oproepen. Door deze reacties kan het kind nog meer in verwarring raken, zich nog minder begrepen voelen. Het raakt in een groter isolement en in een versterkte overtuiging dat het niet oké is. Dit is een sluipend proces dat ook wel hang-over genoemd wordt.
We mogen dit proces vergelijken met een bovenmatig intelligent kind dat op een school zit voor kinderen met een doorsnee intelligentie. We weten dat als zo'n kind geen extra geestelijke voeding krijgt, het in de problemen kan komen en vaak afdaalt tot de laagste regionen van de prestaties.
Behalve de bovenbeschreven processen zijn er nog vier andere mede veroorzakers te vinden die tot angst kunnen leiden: één of meer traumatische gebeurtenissen, een opeenstapeling van frustrerende gebeurtenissen, bijzondere gevoeligheden voor prikkels en bijgeloof of het magische denken. Vaak is het een combinatie van deze vier.
Angst vreet aan je, het verlamt en veroorzaakt stress. Het maakt je machteloos en ontneemt je je zelfvertrouwen. Het verandert de werkelijkheid tot belevingen van steeds grotere gevaren. Het lijkt een spiraal die je vasthoudt en steeds enger wordt, drukkender en kleiner maakt.
Angsten zijn heel natuurlijk. Ze vormen een logische menselijke reactie op waarnemingen die bedreigend zijn. Alleen als we er op het noodzakelijke moment niets mee kunnen doen, gaan de angsten met ons op de loop, en kunnen ze obsessief en onbeheersbaar worden. Ongewild ga je ze vergroten tot overweldigende proporties die soms dicht bij de rampzaligheid liggen.
We maken verschil in dwanghandelingen die vanuit een trauma ontstaan zijn of dwanghandelingen die sluipend ontwikkeld zijn. Voor beide geldt een andere behandeling.
De psychotherapie kent veel richtingen. Twee daarvan onderscheiden zich van elkaar. Enerzijds de directieve therapieën, dat zijn de sturende methodieken, waarin de psychologische vakkennis van de therapeut van groot belang is. Anderzijds de indirecte of cliëntgerichte therapieën, waarbij de therapeut zo veel mogelijk op de achtergrond blijft en het belevingssysteem van de cliënt stimuleert in het vinden van zowel de veroorzakers als de oplossingen. Bij IMET worden beide methoden integraal gebruikt.
Traumareacties zijn meestal terug te voeren tot herkenbare gebeurtenissen die ook vrij goed te omschrijven zijn: verlies, geweld, bedreigingen. Ze zijn meestal wel te benoemen. Het gedrag heeft te maken met een reactie op die gebeurtenissen en die reactie is vaak goed onder controle te brengen door de emoties weer te rationaliseren. Door anders over de gebeurtenis te gaan nadenken en er een andere betekenis aan te geven, leert de persoon beter of misschien goed met de gebeurtenis te leven.
Bij trauma’s kan je relatief snel aan de verandering van het angst-dwangproces beginnen. Dat is bij de andere angstvormen vaak wat ingewikkelder. Daar moet je eerst de veroorzakers helder krijgen en die kunnen vaak diep weggestopt zijn in het onbewuste en daar toch op een krachtige manier hun werk doen.
Vanuit de waarnemingen in de praktijk bij IMET, blijken niet-traumatische angst-dwangstoornissen onderling vaak dezelfde veroorzakers te hebben. Het lijkt erop dat persoonlijke en onbewuste voorkeuren, die bijvoorbeeld genetisch bepaald zijn of vanuit de opvoeding versterkt, de ‘keuze’ maken waarin de persoon zijn of haar compensaties vindt. Deze compensaties kunnen niet te definiëren angsten zijn, al of niet gecombineerd met specifieke dwangmatigheden zoals rituelen, een eetstoornis, faalangst of angst voor de toekomst. Vaak wordt het ook een combinatie van deze symptomen, met accentverschillen.
De ervaringen bij IMET tonen aan dat veel van deze angststoornissen hun oorsprong vinden in een communicatiestoornis in het vroegste ontwikkelingsstadium van het kind. De miscommunicatie vindt haar oorsprong in de uiteenlopende systemen tussen het kind en de opvoeders. Het kind maakt bijvoorbeeld gebruik van een sterk afwijkend belevingssysteem ten opzichte van het belevingssysteem van de opvoeders. Dat betekent dat het systeem van het kind en de opvoeder elkaar in de communicatie niet begrijpen.
Vaak beleeft het kind de dingen veel genuanceerder; ervaart het veel meer details in zijn waarnemingen dan de opvoeder. Het wil juist deze details communiceren, want daarin liggen meestal de accenten voor het kind. Het kind kan een bepaalde beleving met een specifieke kleur hebben, met een vorm, of detail uit iets groters, die door de opvoeder niet of onvoldoende opgemerkt of gerespecteerd wordt. Het kind kan zich, door de herhaling van het uitblijven van een adequate reactie, onbegrepen gaan voelen.
Een opeenstapeling van onbegrip kan leiden tot gebrek aan zelfvertrouwen en vertrouwen in anderen en daardoor een gebrek aan gevoel van veiligheid.
In een aantal gevallen kunnen de nuanceringen van zowel het kind als van de opvoeder wel een gelijke bandbreedte hebben, maar de oriëntatie kan totaal verschillend zijn. De opvoeder kan bijvoorbeeld cognitief genuanceerd zijn, terwijl het kind een zeer genuanceerd gevoel heeft, of de één is visueel ingesteld en de ander auditief. Een zeer genuanceerd denkende jurist begreep zijn zeer genuanceerde kunstzinnige dochter niet. Ze spraken beiden op hetzelfde niveau, maar in een andere taal. Het kind kan ook heel optioneel zijn, zeer bewegelijk in zijn ideeën en in de dingen die het doet, terwijl de opvoeder procedureel is; nauwgezet in procedures leeft en deze strak en consciëntieus hanteert. Beide systemen communiceren niet omdat ze anders georiënteerd zijn; andere waarden aan dingen toekennen. Er is geen sprake van schuld.
Een echtpaar dat doorlopend conflicten had, kon het nooit eens worden bij de aanschaf van iets groots. Beiden vonden elkaars keuzes maar niks. Hij bleek kinesthetisch te zijn en zij was visueel gericht. De fauteuil die zij mooi vond, vond hij niet lekker zitten, en had hij eindelijk een lekker zittende fauteuil gevonden, dan vond zij hem niet mooi.
De opvoeder kan zeer zorgzaam zijn en het kind zeer avontuurlijk. Het kind stresst de ouder door zijn ‘onverantwoordelijk’ gedrag; de ouder werkt verstikkend op het kind vanuit zijn ‘angstige’ of ‘paniekerige’ gedrag. Beide partijen beoordelen elkaar vanuit hun eigen subjectieve waarden. Is er een schuldige? Nee! Er zijn verschillende systemen waardoor mensen verschillend reageren in hun communicatie.
Vaak heeft het kind ook sensoren die op andere signalen gericht zijn dan wat de omgeving ervaart. Soms gaan deze verschillen gepaard met overgevoeligheid voor prikkels zoals geluid, geur, smaak, licht, kledingstoffen, metalen, medicijnen of voedingsmiddelen. Ook kunnen deze mensen zeer gevoelig zijn voor sfeer; dan pakken zij latente conflicten al op voordat zij tot uiting komen. Vaak zie je dat het kind een vredestichter wordt of zelfs de functie van een ouder voor de eigen ouder inneemt.
Bij IMET zijn verschillende mensen in behandeling die elke situatie vanuit veel perspectieven gelijktijdig overzien. Ze zien waar fouten in het bedrijf of in hun relatienetwerk gemaakt worden en tot welke consequenties die kunnen leiden. Ze zien vaak meer passende oplossingen. Hun hoofd staat op barsten van de indrukken en spanningen, maar omdat ze niet tot de leiding van de organisatie of het netwerk behoren, wordt er niet naar hen geluisterd. En zelfs wanneer er een keer naar hen geluisterd wordt, komen zij woorden en begrippen tekort om hun waarnemingen en oplossingen te communiceren. Zij hebben niet geleerd met deze veelzijdige visie om te gaan. Ze hebben zich vaak opgesloten in eenzaamheid van woordloze begrippen, die niet te communiceren zijn.
Een andere aanleiding voor angst en dwang kan zijn dat mensen de grens tussen de eigen identiteit en de identiteit van anderen heel smal ervaren en ze het onheil dat een ander overkomt als hun eigen onheil beleven.
Deze sterke nuanceringen en overgevoeligheden bieden een welwillende voedingsbodem om onveiligheid te versterken. Er is niet zoveel voor nodig om deze mensen onzeker en angstig te maken en te kwetsen. Ze kunnen de dingen vaak zo moeilijk uitleggen en ervaren een toenemend isolement en eenzaamheid.
Zo zien we dat iemands kwaliteiten tot diens valkuilen kunnen leiden. De ontkenning van de eigenheid, of de ballast om ouder over je ouder te moeten zijn, kunnen teveel worden en op een onbewaakt moment omslaan in een angst- of paniekreactie.
Het kernprobleem voor deze mensen ligt niet in hun genuanceerdheid, gedifferentieerde belevingen of sterke gevoeligheden, maar in de gebrekkige ervaring om daar adequaat mee om te gaan. Ze zijn er onvoldoende in begeleid om met deze talenten om te gaan. In plaats van dat ze er voordeel aan ondervonden, werden het de valkuilen die leidden tot hun huidige positie.
Het probleem om zonder begeleiding tot adequate oplossingen te komen, is dat de persoon onderdeel is van het proces dat voor het overgrote deel in het onbewuste werkt. Juist in dat onbewuste liggen de meeste onbekende drijfveren en argumenten die blijvende veranderingen in de weg staan. Al deze onbekende drijfveren kunnen een bewust gekozen en doorgevoerde verandering weer vaak ongemerkt terugtrekken naar de oorspronkelijke ongewenste positie.
Je gedachten, gevoelens, ervaringen en herinneringen, die we samenvatten onder het begrip ‘systeem’, maken je tot een onverbrekelijk onderdeel van je eigen proces. Je bent niet vrij en objectief om iets anders te gaan doen dan wat je al deed. Als je wel die vrijheid had, was je allang van je probleem afgekomen.
We hebben het hier over een ernstig en diepliggend probleem. Natuurlijk kennen we situaties waarin iemand zijn gedrag is gaan beheersen. Dat is dan ook een topprestatie, maar de energie die zo iemand daarin blijvend moet steken, is niet gering.
Het vinden van een veroorzaker van een klacht is de eerste stap. De volgende stap is er een positieve verandering in aan te brengen. Het handigste is dat te doen met de historische persoon in die situatie en in die leeftijd waarin de gebeurtenis plaatsvond. Dat kan. Er zijn verscheidene technieken om de persoon terug te brengen naar een herbeleving van dat moment en in de specifieke situatie van het verleden.
De meest adequate oplossing is de persoon vanuit die herbeleving zelf oplossingen te laten vinden, die passen in de acceptatie van die persoon van dat moment uit het verleden. Daarmee is de lading van de gebeurtenis veranderd en heeft de persoon in die situatie rust.
Door heel goed en aandachtig te luisteren naar de persoon, leert de therapeut de patronen van het belevingssysteem van de persoon kennen en vanuit die kennis de persoon te helpen bij het vinden van de meest passende oplossing. We noemen dat ‘stil luisteren’.
Bij ‘stil luisteren’ schakelt de therapeut zijn of haar eigen ideeën uit en luistert onbevangen naar wat de ander te vertellen heeft. Alleen dan komt de therapeut met een minimale filtering en ruis bij de processen die tot de klacht hebben geleid en daarmee ook bij de mogelijke oplossingen. Dat vraagt van de therapeut een grote terughoudendheid in het inschakelen van zijn of haar kennis en persoonlijke ervaringen, en een grote mate van respect voor het specifieke systeem van de ander. Naar aanleiding van de verworven inzichten in de specifieke patronen van de persoon kan de therapeut selectief kiezen op welk moment hij of zij directief, dus sturend gaat werken of passief, volgend en onderzoekend te werk gaat.
Angst wordt vaak opgebouwd vanuit een kwetsbaar belevingssysteem. Vaak ontstaat het uit veel, niet altijd waarneembare, kleine details die zich opstapelen. Angst is een waarschuwingssignaal voor gevaar en als je geen oplossing vindt om dat gevaar te keren, loopt de spanning op. Dan ontstaan stressreacties, die de persoon in een spiraal brengen van steeds heftigere emoties van spanning en onzekerheid of bedreiging.
De belangrijkste instandhouder is een mechanisme in de persoon dat veranderingen als iets heel bedreigends ervaart. De persoon wil wel veranderen, maar kan dat niet en als hij of zij al een verandering toestaat, volgt vaak een drang om dat op een andere manier te compenseren.
Andere instandhouders zijn de spontane trancetoestand waarin het proces onbestuurbaar is, de ankers, triggers of rituelen die het proces steeds weer in werking stelden.
De derde belemmerende factor in het veranderen van gedrag is de gewoonte, of het veilige gevoel dat de gewoonte je geeft.
Opmerkelijk is dat het veranderen van het gedrag nauwelijks inspanning vergt als de veroorzakers en instandhouders geneutraliseerd zijn. Dan ontstaat ook het veilige gevoel dat het gedrag niet meer hoeft terug te keren, omdat de veroorzakers en instandhouders er niet meer zijn.
Bij stichting IMET ervaren we vaak een verkeerde benadering van kinderen en jong volwassenen en van mensen met een stoornis. Veel van deze jongeren beleven een niet adequate benadering van hun omgeving op wat zij willen, bedoelen, ervaren en beleven.Telkens worden we geconfronteerd met de resultaten dat kinderen:
- Niet gehoord worden in wat zij bedoelen; dat ze gehoord worden op basis van wat de ontvanger ervan maakt;
- Aandacht krijgen die ze niet verlangen en de aandacht missen die ze nodig hebben;
- Niet of onvoldoende serieus genomen worden in hun eigen belevingswereld;
- Lijden aan een onderwaardering en ondervoeding van hun vermogens, en een gebrek aan respect ervaren voor diegene die ze in werkelijkheid zijn.
Bij deze miscommunicatie is geen sprake van schuld, maar meer van algemene slechte omgang in de communicatie.
Volwassenen zitten vast in hun eigen systemen en leggen vanuit die systemen claims op kinderen. De volwassen systemen worden over het algemeen rigider naarmate mensen vinden dat zij meer weten, meer ervaringen hebben, een sterke overtuiging hebben, en vinden dat zij een autoriteit zijn.
Bepaalde posities en beroepen nodigen uit tot autoritair gedrag dat belemmerend is voor een open communicatie met een kind of jongere.
In gezinnen en op scholen ervaren we vaak een grote bezorgdheid over de symptomen die iemand uitstraalt in verband met een specifieke stoornis. Vooral als het om anorectische verschijnselen gaat, suïcide-uitingen, zelfbeschadigingen en niet te plaatsen belevingen en verhalen. Het zijn symptomen die een natuurlijke, en vaak terechte, reactie van bezorgdheid oproepen.
Toch werken veel bezorgde reacties improductief. Het zijn niet de reacties die de persoon helpen. Ze vragen begrip voor hun specifieke eigenheid; geen bezorgdheid. Ze vragen een inlevende en meegaande reactie in hun belevingen; geen sturende, belerende, onderzoekende of verwijtende reactie.
De omgang met iemand die slachtoffer is van een stoornis, vergt heel veel inlevingsvermogen in wat de persoon zowel vanuit haar oorspronkelijke vermogens wil en bedoelt, als hoe ze zich door haar vertekende zelf- en wereldbeeld uit.
Bij de behandeling van dwangmatigheid is niet altijd van tevoren vast te stellen in welke mate veroorzakers een rol spelen bij die specifieke dwang. Soms moet je, om het risico van terugval zoveel mogelijk te voorkomen, veel aandacht geven aan de veroorzakers en instandhouders. Soms is de klacht ook adequaat te behandelen vanuit de beperktere directieve therapie.
Grensgevallen zijn bijvoorbeeld angst voor autorijden, vliegangst, angst voor spreken in het openbaar, pleinangst, straatvrees, smetvrees. Bij IMET worden beide methoden toegepast. Meestal is het niet een kwestie van óf de ene óf de andere methode, maar in welke mate beide methoden op een specifieke klacht worden toegepast.
Mensen met een angst-, dwang-, identiteit- of eetstoornis zitten fundamenteel anders in elkaar dan de doorsnee mens. Ze hebben vaak zoveel meer te bieden, wat nooit bij hen ontdekt is. Ze lijden aan een hang-over, aan een zich steeds verder opstapelende ontkenning van hun fijngevoeligheid in nuances en differentiaties. Zij passen moeilijk in een generaliserende samenleving die voor hen bepaalt hoe gedifferentieerde dingen samengevoegd worden tot één ongenuanceerd geheel.
Zij lijden onder een soort Calimero syndroom. Ouderen uit hun omgeving weten het allemaal zo goed, en naar hen wordt niet geluisterd. Zij voelen zich te klein om de doorgeprikte zekerheden die zij in hun omgeving vaak tegenkomen, in de juiste context te mogen plaatsen. Ze weten niet om te gaan met incongruentie tussen verbale en non-verbale signalen. Ze zoeken oplossingen, die altijd gericht zijn op de korte termijn, zonder het overzicht te hebben van de consequenties.
Bezorgdheid, angst en paniek daarover werken contraproductief. Daartegenover staat dat meegaand luisteren, aandacht voor hun manier van denken, voelen en beleven, en een groot respect voor diegene die zij zijn, hen kan helpen. Zij verdienen de goede hulp, om veel redenen.
Veel van deze mensen ervaren voortdurend vereenvoudigde zekerheden in hun omgeving, die hen als onaantastbare waarheden door autoriteiten worden opgelegd. Daarentegen zijn zij, juist vanuit hun eigen gedifferentieerde vermogens, zoekers naar mogelijkheden, en geboren ontdekkers van nuances in de dingen om hen heen. Dit eigen systeem en de indoctrinatie van de vreemde systemen zorgt voor innerlijke conflicten en spanningen.
Ze weten niet of ze hun eigen waarnemingen en conclusies wel mogen vertrouwen. De vereenvoudigde zekerheden hebben hen geleerd om zwart wit te gaan denken. Dit geldt ook voor de ongenuanceerde keuze wie er gelijk heeft: de autoriteit of zij.
Dit hele proces, zo blijkt uit de behandelingen van Stichting IMET, begint al bij de eerste waarnemingen van het heel jonge kind. De werking ervan verloopt verder vooral op onbewust niveau.
Naar de visie van Stichting IMET is een angst-, dwang-, identiteit- of eetstoornis in beginsel geen ziekte maar een verstoring op communicatief niveau. En zover wij hebben kunnen vaststellen, lijden met name mensen met een bovennormaal geestelijk, emotioneel vermogen, afgemeten aan hun milieu, aan zo'n stoornis. We benadrukken het begrip "beginsel", want de stoornis kan uiteindelijk wél tot zeer ernstige en zelfs dodelijke ziektes lijden.
|