De term ‘identiteit’ wordt in het algemene taalgebruik, de persoonlijkheidsleer en in de sociale psychologie in vele en verwarrende betekenissen gebruikt.
We kennen de populaire betekenis waarin identiteit voor unieke herkenbaarheid staat. We plaatsen de identiteit aan de context van de persoon, zijn uiterlijk, leeftijd, milieu, functie, ideeën en gedrag en bouwen daar veronderstellingen op. Uit die factoren wordt ons door onze omgeving een identiteit toegekend.
In de psychologie zijn vele gedetailleerde begrippen ontwikkeld op de term identiteit. Een daarvan zullen we hier nader uitleggen. Het betreft het essentiële continue zelf van de persoon. Die elementen die de persoon als psychische en lichamelijke vermogens in zijn wezenlijke structuur heeft. Voor een gezonde ontwikkeling dient de persoon zijn structuur te erkennen en te accepteren als basis van zichzelf.
Deze persoonlijke wezenlijke structuur staat los van de cultuur die de persoon omgeeft en alles wat hij leert. Die structuur is de basis waarop de omgeving gedrag kan aanbrengen. Er is sprake van een identiteitsstoornis wanneer de persoon zijn eigen structuur niet meer kent en daar geen gebruik van kan maken. Meestal is er dan sprake van aangeleerd gedrag dat niet aansluit op de persoonlijke oorspronkelijke kenmerken van de persoon. Dat gedrag kan als afweermechanisme en overlevingsstrategie door de persoon zelf ontwikkeld zijn, het kan ook opgelegd zijn door een opvoedende omgeving. Meestal is het een combinatie van deze twee invloeden.
De gevolgen van een beginnende identiteitsstoornis zijn niet altijd goed zichtbaar. Vaak worden de problemen als leer- of aanpassingsmoeilijkheden uitgelegd. Het kind tracht zich aan het leven, zoals hem dit wordt aangeboden, aan te passen. Daarvoor gebruikt het allerlei mogelijkheden zoals afweermechanismen, compensatiegedragingen en vervangende doelen.
Al deze oneigenlijke strategieën kosten veel energie en de persoon moet steeds meer van zijn oorspronkelijkheid inleveren en steeds meer voldoen aan wat hij denkt dat van hem verlangd wordt. Hoe weet je wat je kwijt bent als je nooit beseft hebt wat je had. Je eigen identiteit moet je gaan ontdekken uit de omgang met de dingen om je heen en met de situaties waarin je terecht komt. Maar als er zo weinig van je oorspronkelijkheid gewaardeerd werd en je dit dus situatie na situatie kwijt raakte, is het moeilijk aan een ander uit te leggen wat er nu eigenlijk verkeerd met je gaat. Het enige dat te vertellen is, is dat je je onprettig en onzeker voelt; dat je dingen doet die je eigenlijk niet wilt. Wanneer je duidelijke symptomen hebt naar jezelf zoals problemen met je veilig voelen, met het omgaan met eten of dat je ervaart alsmaar te moeten of niet te mogen dan zijn deze wel te benoemen, maar hoe doe je dat.
Hoe leg je iets aan mensen uit waarvan je (onbewust) ervaren hebt dat zij jouw verhalen toch niet begrijpen en er vaak een uitleg aan geven die zich juist tegen jouw beleving keert?
Ieder mens krijgt bij zijn of haar geboorte kwaliteiten mee. Een aantal daarvan zijn herkenbaar als familietrekken en een aantal lijken door het kind zelf meegebracht te zijn. Het totaal aan kwaliteiten past meestal redelijk in de omgeving van de persoon. Op die manier groeit het kind op in normen en waarden, met ideeën en belevingen, en met mogelijkheden en beperkingen waar het goed mee kan leven.
Soms worden ook kinderen geboren die naast de familiekenmerken een aantal krachtige eigen kwaliteiten meebrengen. Zolang deze kwaliteiten door de omgeving gestimuleerd worden om tot ontwikkeling te komen, zal het kind er vooral voordeel aan hebben.
Als deze eigen kwaliteiten echter een niveau en een diversiteit krijgen die door de omgeving (samenleving) niet opgemerkt worden of niet tot ontwikkeling gebracht worden, ervaart het - meestal nog erg jonge en rijk begaafde - kind dit als een ontkenning van de eigenheid; een ontkenning van zijn of haar complete identiteit. Dit proces vindt vooral plaats op onbewust- en op overtuigingsniveau.
Mensen hebben een drang in zich die ervoor zorgt dat de aangeboren vermogens in meer of mindere mate tot ontwikkeling kunnen komen. Bij sommige mensen is deze drang erg sterk aanwezig, bij anderen minder sterk.
Als zo’n kind, voorzien van een sterke drang om haar vermogens te ontwikkelen, opgroeit in een samenleving die al die extra's van dat kind niet waarneemt, zal dat kind de bevestigingen ontberen die zij nodig heeft. Haar ontwikkelingsdrang zal dan naar wegen zoeken om die aangeboren vermogens toch te kunnen ontwikkelen.
Aangezien er in die situatie voor passende oorspronkelijke ontwikkelingen geen ruimte is, ontwikkelt het kind compensatiegedrag. Meestal gebeurt dat voor een aantal van de aangeboren vermogens, soms ook voor álle talenten. Het jonge kind - meestal in de leeftijd van de beginnende basisscholier - ontwikkelt geheime rituelen, ideeën en belevenissen die de kwaliteiten moeten gaan invullen die zich niet op een natuurlijke manier kunnen ontwikkelen. Zo kunnen obsessieve gedachten en gedragingen ontstaan, die weer door andere interne regelsystemen worden vastgezet tot onbeheersbare en vergroeide overtuigingen.
Dit 'kwaliteit ontwikkelende systeem' kan voor buitenstaanders onnavolgbare routes volgen. Deze routes kunnen op veel terreinen zulke afwijkende vormen in gedrag veroorzaken dat zij ongewild reacties uit de omgeving oproepen. Door deze reacties kan het kind nog meer in verwarring raken, zich nog minder begrepen voelen. Het raakt in een groter isolement en in een versterkte overtuiging dat het niet oké is. Dit is een sluipend proces dat ook wel hang-over genoemd wordt.
We mogen dit proces vergelijken met een bovenmatig intelligent kind dat op een school zit voor kinderen met een doorsnee intelligentie. We weten dat als zo'n kind geen extra geestelijke voeding krijgt, het in de problemen kan komen en vaak afdaalt tot de laagste regionen van de prestaties.
Aanvullend op de voorgaande uitleg kunnen veel factoren een rol spelen bij een identiteitsstoornis van deze soort. Je kunt de mogelijkheden indelen in categorieën, maar die overlappen elkaar meestal erg.
In algemene zin kan gesteld worden dat elke grote verandering in de omgevingsverandering van een baby of jong kind een oorzaak kan zijn. Zo verliest een baby die door de moeder wordt afgestaan, zijn nestgeur. Als het daar erg gevoelig voor is, kan dit een reden zijn voor een verstoorde ontwikkeling en zelfbeeld. Wanneer een bovenmatig gevoelig kind in een andere omgeving terecht komt of meermalen verhuist, bij andere mensen of in andere culturen terechtkomt, verliest het steeds weer dat wat het aan eigenheid in situaties en met de dingen om hem heen heeft opgebouwd. Steeds moet het opnieuw beginnen met zich aan te passen aan de omstandigheden.
Een andere categorie valt onder de structureel verwaarloosden. Kinderen die in de opvoeding geen structuur leren waaraan het zich kan vasthouden. Een omgeving die dingen anders zegt dan dat er wordt gedaan.
De psychotherapie kent veel richtingen. Twee daarvan onderscheiden zich van elkaar. Enerzijds de directieve therapieën, dat zijn de sturende methodieken, waarin de psychologische vakkennis van de therapeut van groot belang is. Anderzijds de indirecte of cliëntgerichte therapieën, waarbij de therapeut zo veel mogelijk op de achtergrond blijft en het belevingssysteem van de cliënt stimuleert in het vinden van zowel de veroorzakers als de oplossingen. Bij IMET worden beide methoden integraal gebruikt.
Vanuit de waarnemingen in de praktijk bij IMET, blijken de verschillende vormen van identiteitsstoornissen onderling vaak dezelfde veroorzakers te hebben. Het lijkt erop dat persoonlijke en onbewuste voorkeuren, die bijvoorbeeld genetisch bepaald zijn of vanuit de opvoeding versterkt, de ‘keuze’ maken waarin de persoon zijn of haar compensaties vindt. Deze compensaties kunnen niet te definiëren angsten zijn, al of niet gecombineerd met specifieke dwangmatigheden zoals rituelen, een eetstoornis, faalangst of angst voor de toekomst.
De ervaringen bij IMET tonen aan dat veel van deze stoornissen hun oorsprong vinden in een communicatiestoornis in het vroegste ontwikkelingsstadium van het kind. De miscommunicatie vindt haar oorsprong in de uiteenlopende systemen tussen het kind en de opvoeders. Het kind maakt bijvoorbeeld gebruik van een sterk afwijkend belevingssysteem ten opzichte van het belevingssysteem van de opvoeders. Dat betekent dat het systeem van het kind en de opvoeder elkaar in de communicatie niet begrijpen.
Vaak beleeft het kind de dingen veel genuanceerder; ervaart het veel meer details in zijn waarnemingen dan de opvoeder. Het wil juist deze details communiceren, want daarin liggen meestal de accenten voor het kind. Het kind kan een bepaalde beleving met een specifieke kleur hebben, met een vorm, of detail uit iets groters, die door de opvoeder niet of onvoldoende opgemerkt of gerespecteerd wordt. Het kind kan zich, door de herhaling van het uitblijven van een adequate reactie, onbegrepen gaan voelen. Een opeenstapeling van onbegrip kan leiden tot gebrek aan zelfvertrouwen en vertrouwen in anderen en daardoor een gebrek aan gevoel van veiligheid.
In een aantal gevallen kunnen de nuanceringen van zowel het kind als van de opvoeder wel een gelijke bandbreedte hebben, maar de oriëntatie kan totaal verschillend zijn. De opvoeder kan bijvoorbeeld cognitief genuanceerd zijn, terwijl het kind een zeer genuanceerd gevoel heeft, of de één is visueel ingesteld en de ander auditief. Een zeer genuanceerd denkende jurist begreep zijn zeer genuanceerde kunstzinnige dochter niet. Ze spraken beiden op hetzelfde niveau, maar in een andere taal. Het kind kan ook heel optioneel zijn, zeer bewegelijk in zijn ideeën en in de dingen die het doet, terwijl de opvoeder procedureel is; nauwgezet in procedures leeft en deze strak en consciëntieus hanteert. Beide systemen communiceren niet omdat ze anders georiënteerd zijn; andere waarden aan dingen toekennen.
Een echtpaar dat doorlopend conflicten had, kon het nooit eens worden bij de aanschaf van iets groots. Beiden vonden elkaars keuzes maar niks. Hij bleek kinesthetisch te zijn en zij was visueel gericht. De fauteuil die zij mooi vond, vond hij niet lekker zitten, en had hij eindelijk een lekker zittende fauteuil gevonden, dan vond zij hem niet mooi.
De opvoeder kan zeer zorgzaam zijn en het kind zeer avontuurlijk. Het kind stresst de ouder door zijn ‘onverantwoordelijk’ gedrag; de ouder werkt verstikkend op het kind vanuit zijn ‘angstige’ of ‘paniekerige’ gedrag. Beide partijen beoordelen elkaar vanuit hun eigen subjectieve waarden. Is er een schuldige? Nee! Er zijn verschillende systemen waardoor mensen verschillend reageren in hun communicatie.
Vaak heeft het kind ook sensoren die op andere signalen gericht zijn dan wat de omgeving ervaart. Soms gaan deze verschillen gepaard met overgevoeligheid voor prikkels zoals geluid, geur, smaak, licht, kledingstoffen, metalen, medicijnen of voedingsmiddelen. Ook kunnen deze mensen zeer gevoelig zijn voor sfeer, dan pakken zij latente conflicten al op voordat zij tot uiting komen. Vaak zie je dat het kind een vredestichter wordt of zelfs de functie van een ouder voor de eigen ouder inneemt.
Bij IMET zijn verschillende mensen in behandeling die elke situatie vanuit veel perspectieven gelijktijdig overzien. Ze zien waar fouten in het bedrijf of in hun relatienetwerk gemaakt worden en tot welke consequenties die kunnen leiden. Ze zien vaak meer passende oplossingen. Hun hoofd staat op barsten van de indrukken en spanningen, maar omdat ze niet tot de leiding van de organisatie of het netwerk behoren, wordt er niet naar hen geluisterd. En zelfs wanneer er een keer naar hen geluisterd wordt, komen zij woorden en begrippen tekort om hun waarnemingen en oplossingen te communiceren. Zij hebben niet geleerd met deze veelzijdige visie om te gaan. Ze hebben zich vaak opgesloten in eenzaamheid van woordloze begrippen, die niet te communiceren zijn.
Een andere aanleiding voor angst kan zijn dat mensen de grens tussen de eigen identiteit en de identiteit van anderen heel smal ervaren en ze het onheil dat een ander overkomt als hun eigen onheil beleven.
Deze sterke nuanceringen en overgevoeligheden bieden een welwillende voedingsbodem om onveiligheid te versterken. Er is niet zoveel voor nodig om deze mensen onzeker en angstig te maken en te kwetsen. Ze kunnen de dingen vaak zo moeilijk uitleggen en ervaren een toenemend isolement en eenzaamheid.
Zo zien we dat iemands kwaliteiten tot diens valkuilen kunnen leiden. De ontkenning van de eigenheid kunnen teveel worden en op een onbewaakt moment omslaan in een angst- of paniekreactie.
Het kernprobleem voor deze mensen ligt niet in hun genuanceerdheid, gedifferentieerde belevingen of sterke gevoeligheden, maar in de gebrekkige ervaring om daar adequaat mee om te gaan. Ze zijn er onvoldoende in begeleid om met deze talenten om te gaan. In plaats van dat ze er voordeel aan ondervonden, werden het de valkuilen die leidden tot hun huidige positie.
Het probleem om zonder begeleiding tot adequate oplossingen te komen, is dat de persoon onderdeel is van het proces dat voor het overgrote deel in het onbewuste werkt. Juist in dat onbewuste liggen de meeste onbekende drijfveren en argumenten die blijvende veranderingen in de weg staan. Al deze onbekende drijfveren kunnen een bewust gekozen en doorgevoerde verandering weer vaak ongemerkt terugtrekken naar de oorspronkelijke ongewenste positie.
Je gedachten, gevoelens, ervaringen en herinneringen, die we samenvatten onder het begrip ‘systeem’, maken je tot een onverbrekelijk onderdeel van je eigen proces. Je bent niet vrij en objectief om iets anders te gaan doen dan wat je al deed. Als je wel die vrijheid had, was je allang van je probleem afgekomen.
We hebben het hier over een ernstig en diepliggend probleem. Natuurlijk kennen we situaties waarin iemand zijn gedrag is gaan beheersen. Dat is dan ook een topprestatie, maar de energie die zo iemand daarin blijvend moet steken, is niet gering.
Het vinden van een veroorzaker van een klacht is de eerste stap. De volgende stap is er een positieve verandering in aan te brengen. Het handigste is dat te doen met de historische persoon in die situatie en in die leeftijd waarin de gebeurtenis plaatsvond. Dat kan. Er zijn verscheidene technieken om de persoon terug te brengen naar een herbeleving van dat moment en in de specifieke situatie van het verleden.
De meest adequate oplossing is de persoon vanuit die herbeleving zelf oplossingen te laten vinden, die passen in de acceptatie van die persoon van dat moment uit het verleden. Daarmee is de lading van de gebeurtenis veranderd en heeft de persoon in die situatie rust.
Door heel goed en aandachtig te luisteren naar de persoon, leert de therapeut de patronen van het belevingssysteem van de persoon kennen en vanuit die kennis de persoon te helpen bij het vinden van de meest passende oplossing. We noemen dat ‘stil luisteren’.
Bij ‘stil luisteren’ schakelt de therapeut zijn of haar eigen ideeën uit en luistert onbevangen naar wat de ander te vertellen heeft. Alleen dan komt de therapeut met een minimale filtering en ruis bij de processen die tot de klacht hebben geleid en daarmee ook bij de mogelijke oplossingen. Dat vraagt van de therapeut een grote terughoudendheid in het inschakelen van zijn of haar kennis en persoonlijke ervaringen, en een grote mate van respect voor het specifieke systeem van de ander. Naar aanleiding van de verworven inzichten in de specifieke patronen van de persoon kan de therapeut selectief kiezen op welk moment hij of zij directief, dus sturend gaat werken of passief, volgend en onderzoekend te werk gaat.
Angst wordt vaak opgebouwd vanuit een kwetsbaar belevingssysteem. Vaak ontstaat het uit veel, niet altijd waarneembare, kleine details die zich opstapelen. Angst is een waarschuwingssignaal voor gevaar en als je geen oplossing vindt om dat gevaar te keren, loopt de spanning op. Dan ontstaan stressreacties, die de persoon in een spiraal brengen van steeds heftigere emoties van spanning en onzekerheid of bedreiging.
De belangrijkste instandhouder is een mechanisme in de persoon dat veranderingen als iets heel bedreigends ervaart. De persoon wil wel veranderen, maar kan dat niet en als hij of zij al een verandering toestaat, volgt vaak een drang om dat op een andere manier te compenseren.
Andere instandhouders zijn de spontane trancetoestand waarin het proces onbestuurbaar is, de ankers, triggers of rituelen die het proces steeds weer in werking stelden.
De derde belemmerende factor in het veranderen van gedrag is de gewoonte, of het veilige gevoel dat de gewoonte je geeft.
Opmerkelijk is dat het veranderen van het gedrag nauwelijks inspanning vergt als de veroorzakers en instandhouders geneutraliseerd zijn. Dan ontstaat ook het veilige gevoel dat het gedrag niet meer hoeft terug te keren, omdat de veroorzakers en instandhouders er niet meer zijn.
Bij stichting IMET ervaren we vaak een verkeerde benadering van kinderen en jong volwassenen en van mensen met een stoornis. Veel van deze jongeren beleven een niet adequate benadering van hun omgeving op wat zij willen, bedoelen, ervaren en beleven.Telkens worden we geconfronteerd met de resultaten dat kinderen:
- Niet gehoord worden in wat zij bedoelen; dat ze gehoord worden op basis van wat de ontvanger ervan maakt;
- Aandacht krijgen die ze niet verlangen en de aandacht missen die ze nodig hebben;
- Niet of onvoldoende serieus genomen worden in hun eigen belevingswereld;
- Lijden aan een onderwaardering en ondervoeding van hun vermogens, en een gebrek aan respect ervaren voor diegene die ze in werkelijkheid zijn.
Bij deze miscommunicatie is geen sprake van schuld, maar meer van algemene slechte omgang in de communicatie.
Volwassenen zitten vast in hun eigen systemen en leggen vanuit die systemen claims op kinderen. De volwassen systemen worden over het algemeen rigider naarmate mensen vinden dat zij meer weten, meer ervaringen hebben, een sterke overtuiging hebben, en vinden dat zij een autoriteit zijn.
Bepaalde posities en beroepen nodigen uit tot autoritair gedrag dat belemmerend is voor een open communicatie met een kind of jongere.
In gezinnen en op scholen ervaren we vaak een grote bezorgdheid over de symptomen die iemand uitstraalt in verband met een specifieke stoornis. Vooral als het om anorectische verschijnselen gaat, suïcide-uitingen, zelfbeschadigingen en niet te plaatsen belevingen en verhalen. Het zijn symptomen die een natuurlijke, en vaak terechte, reactie van bezorgdheid oproepen.
Toch werken veel bezorgde reacties improductief. Het zijn niet de reacties die de persoon helpen. Ze vragen begrip voor hun specifieke eigenheid; geen bezorgdheid. Ze vragen een inlevende en meegaande reactie in hun belevingen; geen sturende, belerende, onderzoekende of verwijtende reactie.
De omgang met iemand die slachtoffer is van een stoornis, vergt heel veel inlevingsvermogen in wat de persoon zowel vanuit haar oorspronkelijke vermogens wil en bedoelt, als hoe ze zich door haar vertekende zelf- en wereldbeeld uit.
Bij de behandeling van dwangmatigheid is niet altijd van tevoren vast te stellen in welke mate veroorzakers een rol spelen bij die specifieke dwang. Soms moet je, om het risico van terugval zoveel mogelijk te voorkomen, veel aandacht geven aan de veroorzakers en instandhouders. Soms is de klacht ook adequaat te behandelen vanuit de beperktere directieve therapie.
Grensgevallen zijn bijvoorbeeld angst voor autorijden, vliegangst, angst voor spreken in het openbaar, pleinangst, straatvrees, smetvrees. Bij IMET worden beide methoden toegepast. Meestal is het niet een kwestie van óf de ene óf de andere methode, maar in welke mate beide methoden op een specifieke klacht worden toegepast.
Identiteitsstoornissen ontwikkelen vaak uiteenlopende angsten. Zo kan ook angst ontstaan voor dingen die je in huis hoort of ziet, maar die niet verklaarbaar zijn, zoals een schimmige verschijning naast je bed, of in de kamer, of geluiden die suggereren dat er een inbreker is. Stemmen die je meent te herkennen maar die niet echt kunnen zijn.
Voor sommige mensen is het lezen of horen van bepaalde woorden al heel bedreigend. Woorden als: dood, ziek, ziekenhuis, sterfte, moord, ongeluk, geesten, stikken, brand, geweld. In een andere betekenis kunnen het woorden zijn die te maken hebben met de toekomst: werk, carrière, baas, chef, studie, zelfstandigheid, verantwoordelijkheid, afhankelijkheid, opstaan. Er zijn heel veel woorden die, wanneer de betekenis ervan uitvergroot wordt, heel bedreigend zijn en de emoties aardig op hol weten te brengen.
Naast de angst voor voedsel omdat je er dik van kunt worden, kan de angst ook ontstaan uit onzekerheid of het voedsel wel goed is, of het niet besmet is of bedorven. Mensen kunnen ook angstig zijn dat er door iemand gif in gespoten is of dat er tijdens de productie gif in terechtgekomen is.
Angst voor smet zoals je handen tientallen keren per dag wassen, of uren onder de douche staan. De vuile was verscheidene wasbeurten achterelkaar in de wasmachine laten doorlopen. Angst voor gebruik van het toilet ergens anders of anderen op jouw toilet toestaan. Niemand thuis durven te ontvangen, omdat die persoon van alles in je huis brengt. Niets op de grond durven zetten of nat laten worden omdat daar smet van opgenomen wordt. Aanrakingen met anderen of het aanraken van deurgrepen waardoor je iets smerigs overgedragen krijgt.
Mensen met een angst-, dwang-, identiteit- of eetstoornis zitten fundamenteel anders in elkaar dan de doorsnee mens. Ze hebben vaak zoveel meer te bieden, wat nooit bij hen ontdekt is. Ze lijden aan een hang-over, aan een zich steeds verder opstapelende ontkenning van hun fijngevoeligheid in nuances en differentiaties. Zij passen moeilijk in een generaliserende samenleving die voor hen bepaalt hoe gedifferentieerde dingen samengevoegd worden tot één ongenuanceerd geheel.
Zij lijden onder een soort Calimero syndroom. Ouderen uit hun omgeving weten het allemaal zo goed, en naar hen wordt niet geluisterd. Zij voelen zich te klein om de doorgeprikte zekerheden die zij in hun omgeving vaak tegenkomen, in de juiste context te mogen plaatsen. Ze weten niet om te gaan met incongruentie tussen verbale en non-verbale signalen. Ze zoeken oplossingen, die altijd gericht zijn op de korte termijn, zonder het overzicht te hebben van de consequenties.
Bezorgdheid, angst en paniek daarover werken contraproductief. Daartegenover staat dat meegaand luisteren, aandacht voor hun manier van denken, voelen en beleven, en een groot respect voor diegene die zij zijn, hen kan helpen. Zij verdienen de goede hulp, om veel redenen.
Veel van deze mensen ervaren voortdurend vereenvoudigde zekerheden in hun omgeving, die hen als onaantastbare waarheden door autoriteiten worden opgelegd. Daarentegen zijn zij, juist vanuit hun eigen gedifferentieerde vermogens, zoekers naar mogelijkheden, en geboren ontdekkers van nuances in de dingen om hen heen. Dit eigen systeem en de indoctrinatie van de vreemde systemen zorgt voor innerlijke conflicten en spanningen.
Ze weten niet of ze hun eigen waarnemingen en conclusies wel mogen vertrouwen. De vereenvoudigde zekerheden hebben hen geleerd om zwart wit te gaan denken. Dit geldt ook voor de ongenuanceerde keuze wie er gelijk heeft: de autoriteit of zij.
Dit hele proces, zo blijkt uit de behandelingen van Stichting IMET, begint al bij de eerste waarnemingen van het heel jonge kind. De werking ervan verloopt verder vooral op onbewust niveau.
Naar de visie van Stichting IMET is een angst-, dwang-, identiteit- of eetstoornis in beginsel geen ziekte maar een verstoring op communicatief niveau. En zover wij hebben kunnen vaststellen, lijden met name mensen met een bovennormaal geestelijk, emotioneel vermogen, afgemeten aan hun milieu, aan zo'n stoornis. We benadrukken het begrip "beginsel", want de stoornis kan uiteindelijk wél tot zeer ernstige en zelfs dodelijke ziektes lijden.
|