De onderstaande links hebben een relatie met het bovenstaande. U kunt deze items ook bereiken via het topmenu.
Mensen eten. Dat hoort zo en dat is gezond. Sommige mensen eten wat meer anderen eten wat minder. Sommigen redden het met twee maaltijden per dag anderen hebben meer tussendoortjes nodig. Dit is een glijdende schaal van weinig naar veel, met een individuele voorkeur. Zo lang dit eetpatroon de persoon voldoende energie en lichaam blijft geven, is de eetgewoonte in beginsel in orde.
Zodra er dwingende (obsessieve) gedachten aan te pas komen dat er wel of niet gegeten moet worden, ontstaat het begrip stoornis. Zo’n stoornis kan zijn: doorlopend iets eten in kleine hoeveelheden, vooral veel snoepen, of in één keer een onstuitbare behoefte hebben om een grote hoeveelheid naar binnen te werken. De obsessie kan ook zijn dat het lichaam steeds als teveel aanvoelt en dat er dus niets in mag komen of dat wat er toch in komt, er uit moet komen via braken, laxeren of plassen.
Ook het obsessief sporten of aftrainen hoort in die categorie thuis.
Een eetstoornis wordt gekenmerkt door enerzijds controleverlies over voedselinname, of juist een overmaat aan controle daarop, maar een controleverlies over een correct zelfbeeld.
Bij magerzucht (Anorexia) ervaart de persoon meer lichaam dan zij in werkelijkheid heeft en streeft ernaar die overdaad kwijt te raken, waardoor ze steeds minder lichaam krijgt. Dat is in principe een eindeloos proces. Men heeft het dan ook vaak over de doelstelling: maatje nul.
Overmatige eters kunnen voorbij gaan aan het uitbouwen van hun lichaamsvolume, alleen al omdat zij niet weerbaar zijn voor lekkere dingen (B.E.D. Binge Eating Disorders). Natuurlijk ondervinden zij daar last van, maar die bagatelliseren ze om aan hun ‘verslaving’ toe te kunnen geven.
Dan heb je de overeters met magerzucht (Boulimia). Zij hebben geen controle over hun voedselinname en hebben tevens de drang om minder lichaam te hebben. Dat laatste geldt in minder heftige mate als bij Anorexia, maar toch ervaren zij elke kilo lichaamsgewicht als teveel. Ten opzichte van BED is aan hun lichaamsvorm en volume meestal niets opvallends te zien. De meeste lijders aan Boulimia weten door spugen, laxeren of aftrainen toch een goede kledingmaat te kunnen dragen.
Op de achtergrond spelen andere, wel overeenkomstige, oorzaken een rol. We noemen er hier een paar die verderop verder toegelicht worden: eenzaamheid, leegte, verwarring, prestatiegericht, perfectionistisch, op anderen gericht.
Eetstoornissen zijn voor de omgeving van iemand die daaraan lijdt vaak heel moeilijk te begrijpen. Het treft vaak mensen van wie je dat niet verwacht. Hun gedrag is normaal, ze hebben alles onder controle, maar dit ene specifieke lukt dan niet. Eten is toch zo gewoon en eten laten staan toch ook? Vaak weet de omgeving het niet en organiseert de persoon die het treft, allerlei camouflages waardoor de omgeving het niet merkt. Juist omdat eten zo gewoon lijkt en de samenleving daar van alles omheen gebouwd heeft, is het heel lastig over het probleem te praten. Hoeveel goedbedoelde adviezen kreeg je in de loop van de tijd. De meeste daarvan had je zelf al in het begin van je klacht bedacht. Dat zijn gepasseerde stations. Het probleem van de stoornis is niet zo simpel op te lossen. Daarvoor moet je heel veel begrijpen. Het is niet een kwestie van aanstellen of zwakte. Het is werkelijk ernstig en moeilijk.
Ieder mens krijgt bij zijn of haar geboorte kwaliteiten mee. Een aantal daarvan zijn herkenbaar als familietrekken en een aantal lijken door het kind zelf meegebracht te zijn. Het totaal aan kwaliteiten past meestal redelijk in de omgeving van de persoon. Op die manier groeit het kind op in normen en waarden, met ideeën en belevingen, en met mogelijkheden en beperkingen waar het goed mee kan leven.
Soms worden ook kinderen geboren die naast de familiekenmerken een aantal krachtige eigen kwaliteiten meebrengen. Zolang deze kwaliteiten door de omgeving gestimuleerd worden om tot ontwikkeling te komen, zal het kind er vooral voordeel aan hebben.
Als deze eigen kwaliteiten echter een niveau en een diversiteit krijgen die door de omgeving (samenleving) niet opgemerkt worden of niet tot ontwikkeling gebracht worden, ervaart het - meestal nog erg jonge en rijk begaafde - kind dit als een ontkenning van de eigenheid; een ontkenning van zijn of haar complete identiteit. Dit proces vindt vooral plaats op onbewust- en op overtuigingsniveau.
Mensen hebben een drang in zich die ervoor zorgt dat de aangeboren vermogens in meer of mindere mate tot ontwikkeling kunnen komen. Bij sommige mensen is deze drang erg sterk aanwezig, bij anderen minder sterk.
Als zo’n kind, voorzien van een sterke drang om haar vermogens te ontwikkelen, opgroeit in een samenleving die al die extra's van dat kind niet waarneemt, zal dat kind de bevestigingen ontberen die zij nodig heeft. Haar ontwikkelingsdrang zal dan naar wegen zoeken om die aangeboren vermogens toch te kunnen ontwikkelen.
Aangezien er in die situatie voor passende oorspronkelijke ontwikkelingen geen ruimte is, ontwikkelt het kind compensatiegedrag. Meestal gebeurt dat voor een aantal van de aangeboren vermogens, soms ook voor álle talenten. Het jonge kind - meestal in de leeftijd van de beginnende basisscholier - ontwikkelt geheime rituelen, ideeën en belevenissen die de kwaliteiten moeten gaan invullen die zich niet op een natuurlijke manier kunnen ontwikkelen. Zo kunnen obsessieve gedachten en gedragingen ontstaan, die weer door andere interne regelsystemen worden vastgezet tot onbeheersbare en vergroeide overtuigingen.
Dit 'kwaliteit ontwikkelende systeem' kan voor buitenstaanders onnavolgbare routes volgen. Deze routes kunnen op veel terreinen zulke afwijkende vormen in gedrag veroorzaken dat zij ongewild reacties uit de omgeving oproepen. Door deze reacties kan het kind nog meer in verwarring raken, zich nog minder begrepen voelen. Het raakt in een groter isolement en in een versterkte overtuiging dat het niet oké is. Dit is een sluipend proces dat ook wel hang-over genoemd wordt.
We mogen dit proces vergelijken met een bovenmatig intelligent kind dat op een school zit voor kinderen met een doorsnee intelligentie. We weten dat als zo'n kind geen extra geestelijke voeding krijgt, het in de problemen kan komen en vaak afdaalt tot de laagste regionen van de prestaties.
Op grond van de hierboven genoemde processen ontwikkelen zich bij het kind meestal onbewuste gevoelens van ontkenning en niet begrepen zijn. Zij voegen zich naar hun omgeving en lijken probleemloze vrolijke kinderen te zijn die precies weten wat goed is en niet goed. Het probleem is dat zij zichzelf daarbij ontkennen, zich doorlopend aanpassen en voegen. We noemen dat de valse hoop.
“Valse hoop” betekent, als ik me maar voeg, vinden de mensen mij aardig; dan krijg ik wat ik nodig heb: liefde, begrip en respect. Maar het is valse hoop. Hun gedrag levert ze uiteindelijk niets op. Het kost ze alleen hun eigen identiteit. De meeste mensen met een eetstoornis ervaren geen bodem onder hun bestaan. Een grote leegte of persoonlijke afwezigheid. Het is alsof alles van henzelf is weggevallen en zij alleen nog maar vanuit gedrag en oppervlakkigheid kunnen reageren.
Het meest pijnlijke is dat juist deze mensen onbewust de drang hebben om zich te uiten. Zij weten alleen niet meer waarin zij dat kunnen. Een eetstoornis, ongeacht welke vorm, is een uiting van ontkenning van behoeften en compensaties in behoeften die juist niet overeenkomen met hun oorspronkelijke aangeboren persoonlijkheid.
De psychotherapie kent veel richtingen. Twee daarvan onderscheiden zich van elkaar. Enerzijds de directieve therapieën, dat zijn de sturende methodieken, waarin de psychologische vakkennis van de therapeut van groot belang is. Anderzijds de indirecte of cliëntgerichte therapieën, waarbij de therapeut zo veel mogelijk op de achtergrond blijft en het belevingssysteem van de cliënt stimuleert in het vinden van zowel de veroorzakers als de oplossingen. Bij IMET worden beide methoden integraal gebruikt.
Trauma’s zijn meestal terug te voeren tot herkenbare gebeurtenissen die ook vrij goed te omschrijven zijn: verlies, geweld, bedreigingen. Ze zijn meestal wel te benoemen. Mensen met een aangeleerde psychische stoornis zijn meestal kwetsbaar geworden door hun doorlopende ervaring dat ze niet begrepen zijn. Ze hebben onvoldoende geleerd voor zichzelf op te komen en zijn daarom een makkelijke prooi voor misbruik, pesten of klein houden. Hun kwetsbaarheid maakt ze extra gevoelig voor bedreigingen, verlies of geweld. De daaruit ontstane onzekerheid of zelfs angst leidt tot compensatiegedrag en vervangende doelen. Troosteten of controle uitoefenen over je wilskracht, zijn twee belangrijke gangmakers om tot een eetstoornis te komen. Het vertekende lichamelijke en geestelijke zelfbeeld voegt daar de behoefte aan toe om verder verschralende vervangende doelen en compensatiegedragingen aan hun leven toe te voegen.
Het lijkt erop dat een compensatie in een eetstoornis ontstaat uit persoonlijke en onbewuste voorkeuren die bijvoorbeeld genetisch bepaald zijn of vanuit de opvoeding versterkt zijn.
De ervaringen bij IMET tonen aan dat veel stoornissen hun oorsprong vinden in een communicatiestoornis in het vroegste ontwikkelingsstadium van het kind. De miscommunicatie vindt haar oorsprong in de uiteenlopende systemen tussen het kind en de opvoeders. Het kind maakt bijvoorbeeld gebruik van een sterk afwijkend belevingssysteem ten opzichte van het belevingssysteem van de opvoeders. Dat betekent dat het systeem van het kind en de opvoeder elkaar in de communicatie niet begrijpen.
Vaak beleeft het kind de dingen veel genuanceerder; ervaart het veel meer details in zijn waarnemingen dan de opvoeder. Het wil juist deze details communiceren, want daarin liggen meestal de accenten voor het kind. Het kind kan een bepaalde beleving met een specifieke kleur hebben, met een vorm, of detail uit iets groters, die door de opvoeder niet of onvoldoende opgemerkt of gerespecteerd wordt. Het kind kan zich, door de herhaling van het uitblijven van een adequate reactie, onbegrepen gaan voelen. Een opeenstapeling van onbegrip kan leiden tot een gebrek aan zelfvertrouwen en vertrouwen in anderen en daardoor een gebrek aan gevoel van veiligheid.
In een aantal gevallen kunnen de nuanceringen van zowel het kind als van de opvoeder wel een gelijke bandbreedte hebben, maar de oriëntatie kan totaal verschillend zijn. De opvoeder kan bijvoorbeeld cognitief genuanceerd zijn, terwijl het kind een zeer genuanceerd gevoel heeft, of de één is visueel ingesteld en de ander auditief. Een zeer genuanceerd denkende jurist begreep zijn zeer genuanceerde kunstzinnige dochter niet. Ze spraken beiden op hetzelfde niveau, maar in een andere taal. Het kind kan ook heel optioneel zijn, zeer bewegelijk in zijn ideeën en in de dingen die het doet, terwijl de opvoeder procedureel is; nauwgezet in procedures leeft en deze strak en consciëntieus hanteert. Beide systemen communiceren niet omdat ze anders georiënteerd zijn; andere waarden aan dingen toekennen.
Een echtpaar dat doorlopend conflicten had, kon het nooit eens worden bij de aanschaf van iets groots. Beiden vonden elkaars keuzes maar niks. Hij bleek kinesthetisch te zijn en zij was visueel gericht. De fauteuil die zij mooi vond, vond hij niet lekker zitten, en had hij eindelijk een lekker zittende fauteuil gevonden, dan vond zij hem niet mooi.
De opvoeder kan zeer zorgzaam zijn en het kind zeer avontuurlijk. Het kind stresst de ouder door zijn ‘onverantwoordelijk’ gedrag; de ouder werkt verstikkend op het kind vanuit zijn ‘angstige’ of ‘paniekerige’ gedrag. Beide partijen beoordelen elkaar vanuit hun eigen subjectieve waarden. Is er een schuldige? Nee! Er zijn verschillende systemen waardoor mensen verschillend reageren in hun communicatie.
Vaak heeft het kind ook sensoren die op andere signalen gericht zijn dan wat de omgeving ervaart. Soms gaan deze verschillen gepaard met overgevoeligheid voor prikkels zoals geluid, geur, smaak, licht, kledingstoffen, metalen, medicijnen of voedingsmiddelen. Ook kunnen deze mensen zeer gevoelig zijn voor sfeer; dan pakken zij latente conflicten al op voordat zij tot uiting komen. Vaak zie je dat het kind een vredestichter wordt of zelfs de functie van een ouder voor de eigen ouder inneemt.
Bij IMET zijn verschillende mensen in behandeling die elke situatie vanuit veel perspectieven gelijktijdig overzien. Ze zien waar fouten in het bedrijf of in hun relatienetwerk gemaakt worden en tot welke consequenties die kunnen leiden. Ze zien vaak meer passende oplossingen. Hun hoofd staat op barsten van de indrukken en spanningen, maar omdat ze niet tot de leiding van de organisatie of het netwerk behoren, wordt er niet naar hen geluisterd. En zelfs wanneer er een keer naar hen geluisterd wordt, komen zij woorden en begrippen tekort om hun waarnemingen en oplossingen te communiceren. Zij hebben niet geleerd met deze veelzijdige visie om te gaan. Ze hebben zich vaak opgesloten in eenzaamheid van woordloze begrippen, die niet te communiceren zijn.
Een andere aanleiding voor een eetstoornis kan zijn dat mensen de grens tussen de eigen identiteit en de identiteit van anderen heel smal ervaren en ze het onheil dat een ander overkomt als hun eigen onheil beleven.
Deze sterke nuanceringen en overgevoeligheden bieden een welwillende voedingsbodem om onveiligheid te versterken. Er is niet zoveel voor nodig om deze mensen onzeker en angstig te maken en te kwetsen. Ze kunnen de dingen vaak zo moeilijk uitleggen en ervaren een toenemend isolement en eenzaamheid.
Zo zien we dat iemands kwaliteiten tot diens valkuilen kunnen leiden. De ontkenning van de eigenheid, of de ballast om ouder over je ouder te moeten zijn, kunnen teveel worden en op een onbewaakt moment omslaan in een angst- of paniekreactie.
Het kernprobleem voor deze mensen ligt niet in hun genuanceerdheid, gedifferentieerde belevingen of sterke gevoeligheden, maar in de gebrekkige ervaring om daar adequaat mee om te gaan. Ze zijn er onvoldoende in begeleid om met deze talenten om te gaan. In plaats van dat ze er voordeel aan ondervonden, werden het de valkuilen die leidden tot hun huidige positie.
Het probleem om zonder begeleiding tot adequate oplossingen te komen, is dat de persoon onderdeel is van het proces dat voor het overgrote deel in het onbewuste werkt. Juist in dat onbewuste liggen de meeste onbekende drijfveren en argumenten die blijvende veranderingen in de weg staan. Al deze onbekende drijfveren kunnen een bewust gekozen en doorgevoerde verandering weer vaak ongemerkt terugtrekken naar de oorspronkelijke ongewenste positie.
Je gedachten, gevoelens, ervaringen en herinneringen, die we samenvatten onder het begrip ‘systeem’, maken je tot een onverbrekelijk onderdeel van je eigen proces. Je bent niet vrij en objectief om iets anders te gaan doen dan wat je al deed. Als je wel die vrijheid had, was je allang van je probleem afgekomen.
We hebben het hier over een ernstig en diepliggend probleem. Natuurlijk kennen we situaties waarin iemand zijn gedrag is gaan beheersen. Dat is dan ook een topprestatie, maar de energie die zo iemand daarin blijvend moet steken, is niet gering.
Het vinden van een veroorzaker van een klacht is de eerste stap. De volgende stap is er een positieve verandering in aan te brengen. Het handigste is dat te doen met de historische persoon in die situatie en in die leeftijd waarin de gebeurtenis plaatsvond. Dat kan. Er zijn verscheidene technieken om de persoon terug te brengen naar een herbeleving van dat moment en in de specifieke situatie van het verleden.
De meest adequate oplossing is de persoon vanuit die herbeleving zelf oplossingen te laten vinden, die passen in de acceptatie van die persoon van dat moment uit het verleden. Daarmee is de lading van de gebeurtenis veranderd en heeft de persoon in die situatie rust.
Door heel goed en aandachtig te luisteren naar de persoon, leert de therapeut de patronen van het belevingssysteem van de persoon kennen en vanuit die kennis de persoon te helpen bij het vinden van de meest passende oplossing. We noemen dat ‘stil luisteren’. Bij ‘stil luisteren’ schakelt de therapeut zijn of haar eigen ideeën uit en luistert onbevangen naar wat de ander te vertellen heeft. Alleen dan komt de therapeut met een minimale filtering en ruis bij de processen die tot de klacht hebben geleid en daarmee ook bij de mogelijke oplossingen. Dat vraagt van de therapeut een grote terughoudendheid in het inschakelen van zijn of haar kennis en persoonlijke ervaringen, en een grote mate van respect voor het specifieke systeem van de ander. Naar aanleiding van de verworven inzichten in de specifieke patronen van de persoon, kan de therapeut selectief kiezen op welk moment hij of zij directief, dus sturend, gaat werken of passief, volgend en onderzoekend, te werk gaat.
Zelfontkenning wordt vaak opgebouwd vanuit een kwetsbaar belevingssysteem. Vaak ontstaat het uit veel, niet altijd waarneembare, kleine details die zich opstapelen. De persoon ervaart zichzelf als onwaardig, bouwt daar een overtuiging op en moet steeds meer en beter presteren. Elk klein foutje wordt opgeblazen en als bevestiging aanvaard dat de persoon steeds weer faalt. Als de omgeving ook oordelen geeft, worden de negatieve oordelen vergroot en de positieve oordelen als onwaar gekwalificeerd. Zo ontstaat een neerwaartse spiraal die steeds meer energie kost en stressverhogend werkt. Uiteindelijk gaat er zoveel energie en obsessieve aandacht naar het onbeheersbare gedrag, dat de persoon niet meer kan functioneren.
De belangrijkste instandhouder is een mechanisme in de persoon dat veranderingen als iets heel bedreigends ervaart. De persoon wil wel veranderen, maar kan dat niet en als hij of zij al een verandering toestaat, volgt vaak een drang om dat op een andere manier te compenseren.
Andere instandhouders zijn de spontane trancetoestand waarin het proces onbestuurbaar is, de ankers, triggers of rituelen die het proces steeds weer in werking stelden.
De derde belemmerende factor in het veranderen van gedrag is de gewoonte, of het veilige gevoel dat de gewoonte je geeft.
Opmerkelijk is dat het veranderen van het gedrag nauwelijks inspanning vergt als de veroorzakers en instandhouders geneutraliseerd zijn. Dan ontstaat ook het veilige gevoel dat het gedrag niet meer hoeft terug te keren, omdat de veroorzakers en instandhouders er niet meer zijn.
Bij stichting IMET ervaren we vaak een verkeerde benadering van kinderen en jong volwassenen en van mensen met een stoornis. Veel van deze jongeren beleven een niet adequate benadering van hun omgeving op wat zij willen, bedoelen, ervaren en beleven.Telkens worden we geconfronteerd met de resultaten dat kinderen:
- Niet gehoord worden in wat zij bedoelen; dat ze gehoord worden op basis van wat de ontvanger ervan maakt;
- Aandacht krijgen die ze niet verlangen en de aandacht missen die ze nodig hebben;
- Niet of onvoldoende serieus genomen worden in hun eigen belevingswereld;
- Lijden aan een onderwaardering en ondervoeding van hun vermogens, en een gebrek aan respect ervaren voor diegene die ze in werkelijkheid zijn.
Bij deze miscommunicatie is geen sprake van schuld, maar meer van algemene slechte omgang in de communicatie.
Volwassenen zitten vast in hun eigen systemen en leggen vanuit die systemen claims op kinderen. De volwassen systemen worden over het algemeen rigider naarmate mensen vinden dat zij meer weten, meer ervaringen hebben, een sterke overtuiging hebben, en vinden dat zij een autoriteit zijn.
Bepaalde posities en beroepen nodigen uit tot autoritair gedrag dat belemmerend is voor een open communicatie met een kind of jongere.
In gezinnen en op scholen ervaren we vaak een grote bezorgdheid over de symptomen die iemand uitstraalt in verband met een specifieke stoornis. Vooral als het om anorectische verschijnselen gaat, suïcide-uitingen, zelfbeschadigingen en niet te plaatsen belevingen en verhalen. Het zijn symptomen die een natuurlijke, en vaak terechte, reactie van bezorgdheid oproepen.
Toch werken veel bezorgde reacties improductief. Het zijn niet de reacties die de persoon helpen. Ze vragen begrip voor hun specifieke eigenheid; geen bezorgdheid. Ze vragen een inlevende en meegaande reactie in hun belevingen; geen sturende, belerende, onderzoekende of verwijtende reactie.
De omgang met iemand die slachtoffer is van een stoornis, vergt heel veel inlevingsvermogen in wat de persoon zowel vanuit haar oorspronkelijke vermogens wil en bedoelt, als hoe ze zich door haar vertekende zelf- en wereldbeeld uit.
Anorexia en Boulimia worden sterk beïnvloed door de wens slank te zijn. Mensen die daaraan lijden, ervaren zichzelf doorlopend als te dik. Ze zien er niet uit vinden zij zelf. Dat belemmert hen vaak om zich te tonen. Naast deze sociale afbouw kunnen een aantal andere klachten ontstaan:
- Faalangst.
- Angst voor voedsel.
- Angst voor woorden, betekenissen of symbolen.
- Angst voor smet.
- Agressie en leugens.
Onder angststoornissen vallen de volgende verschillende categriën die eveneens beschreven zijn op deze website.
Click op de volgende links om een categorie te bekijken:
Naast de angst voor voedsel, omdat je er dik van kunt worden, kan de angst ook ontstaan uit onzekerheid of het voedsel wel goed is, of het niet besmet is of bedorven. Mensen kunnen ook angstig zijn dat er door iemand gif in gespoten is of dat er tijdens de productie gif in terechtgekomen is.
Voor sommige mensen is het lezen of horen van bepaalde woorden al heel bedreigend. Woorden als: dood, ziek, ziekenhuis, sterfte, moord, ongeluk, geesten, stikken, brand, geweld. In een andere betekenis kunnen het woorden zijn die te maken hebben met de toekomst: werk, carrière, baas, chef, studie, zelfstandigheid, verantwoordelijkheid, afhankelijkheid, opstaan. Er zijn heel veel woorden die, wanneer de betekenis ervan uitvergroot wordt, heel bedreigend zijn en de emoties aardig op hol weten te brengen.
Warning >>> there is no article with id = 83
Vanuit verdedigingsmechanismen kan agressie ontstaan. Meestal vanuit een vorm van wanhoop, vaak ook vanuit het afweermechanisme dat de “Valse macht” genoemd wordt. De persoon tracht dan vanuit machtsmiddelen dat voor elkaar te krijgen wat zij of hij nastreeft. De “Valse macht” leidt echter alleen tot korte termijn successen. Door anderen te onderdrukken, zijn wil op te leggen, neemt de welwillendheid van de ander eerder af dan dat deze toeneemt.
Mensen die gebruik maken van de “Valse macht” kunnen een ernstige terreur binnen een gezin veroorzaken. Meestal overkomt dit ouders of partners die het beste voor hebben met hun verwarde kind of partner. Toch is het toegeven aan deze valse macht een zeer inadequate reactie die het probleem uiteindelijk alleen maar groter maakt.
Verhalen die we meestal als leugens kwalificeren kunnen twee oorzaken hebben:
- Ze kunnen vanuit wanhoop ontstaan; een verdedigingsmechanisme van iemand die in het nauw gedreven is en dan denkt dat hij in zijn verweer geloofd wordt.
- Ze kunnen ook vanuit een irreële belevingswereld ontstaan die veroorzaakt wordt vanuit een mechanisme dat hen buiten de werkelijkheid plaatst.
Mensen met een angst-, dwang-, identiteit- of eetstoornis zitten fundamenteel anders in elkaar dan de doorsnee mens. Ze hebben vaak zoveel meer te bieden, wat nooit bij hen ontdekt is. Ze lijden aan een hang-over, aan een zich steeds verder opstapelende ontkenning van hun fijngevoeligheid in nuances en differentiaties. Zij passen moeilijk in een generaliserende samenleving die voor hen bepaalt hoe gedifferentieerde dingen samengevoegd worden tot één ongenuanceerd geheel.
Zij lijden onder een soort Calimero syndroom. Ouderen uit hun omgeving weten het allemaal zo goed, en naar hen wordt niet geluisterd. Zij voelen zich te klein om de doorgeprikte zekerheden die zij in hun omgeving vaak tegenkomen, in de juiste context te mogen plaatsen. Ze weten niet om te gaan met incongruentie tussen verbale en non-verbale signalen. Ze zoeken oplossingen, die altijd gericht zijn op de korte termijn, zonder het overzicht te hebben van de consequenties.
Bezorgdheid, angst en paniek daarover werken contraproductief. Daartegenover staat dat meegaand luisteren, aandacht voor hun manier van denken, voelen en beleven, en een groot respect voor diegene die zij zijn, hen kan helpen. Zij verdienen de goede hulp, om veel redenen.
Veel van deze mensen ervaren voortdurend vereenvoudigde zekerheden in hun omgeving, die hen als onaantastbare waarheden door autoriteiten worden opgelegd. Daarentegen zijn zij, juist vanuit hun eigen gedifferentieerde vermogens, zoekers naar mogelijkheden, en geboren ontdekkers van nuances in de dingen om hen heen. Dit eigen systeem en de indoctrinatie van de vreemde systemen zorgt voor innerlijke conflicten en spanningen.
Ze weten niet of ze hun eigen waarnemingen en conclusies wel mogen vertrouwen. De vereenvoudigde zekerheden hebben hen geleerd om zwart wit te gaan denken. Dit geldt ook voor de ongenuanceerde keuze wie er gelijk heeft: de autoriteit of zij.
Dit hele proces, zo blijkt uit de behandelingen van Stichting IMET, begint al bij de eerste waarnemingen van het heel jonge kind. De werking ervan verloopt verder vooral op onbewust niveau.
Naar de visie van Stichting IMET is een angst-, dwang-, identiteit- of eetstoornis in beginsel geen ziekte maar een verstoring op communicatief niveau. En zover wij hebben kunnen vaststellen, lijden met name mensen met een bovennormaal geestelijk, emotioneel vermogen, afgemeten aan hun milieu, aan zo'n stoornis. We benadrukken het begrip "beginsel", want de stoornis kan uiteindelijk wél tot zeer ernstige en zelfs dodelijke ziektes lijden.
|